LASER CNC

De prijzen van laserbuizen zijn alleszins redelijk geworden: voor een 50 euro heb je een Chinese 40 watt CO2 laser waarmee je kunststoffen en hout tot een dikte van 5 tot 10 mm kunt snijden. Nog interessanter zijn de complete lasersnijders, die voor ongeveer 250 euro op AliExpress.com worden aangeboden: de elektronica en software zijn bijna onbruikbaar, maar de mechanica is excellent.

Een lasersnijder werkt hetzelfde als een plotter: de X- en Y-assen zijn voorzien van een spiegel en de rol van de ‘pen’ wordt overgenomen door het activeren van de laser. Omdat er, buiten de spiegels, geen bewegende delen zijn, kan een laser ‘punt’ snel van plaats veranderen. De bewegingssnelheid en het ingestelde vermogen van de laser bepalen de diepte waarmee in het materiaal wordt gekerfd.

Een Chinese lasersnijder is prijstechnisch heel interessant, maar je moet bereid zijn om de elektronica en software te vervangen. Er zijn diverse initiatieven om een hele nieuwe aansturing te ontwikkelen, maar ik heb de afgelopen jaren ervaring opgedaan met 3D printers en Ei-plotters en ik denk dat er al voldoende bestaande mogelijkheden zijn.

Enkele eisen:

  • Aansturing van X- en Y-as stappenmotoren
  • Aansturing van laser ‘aan’ en ‘uit’ via mosfet
  • Mogelijkheid tot inlezen van koelwatertemperatuur
  • Mogelijkheid tot inlezen van koelwaterstroming
  • Mogelijkheid tot inlezen van beveiligingsschakelaars (deksel, ‘test’)
  • Mogelijkheid tot aansturen ventilator via mosfet
  • Mogelijkheid tot aansturen van de interne verlichting via mosfet of relais
  • Mogelijkheid tot uitbreiden van de software
  • Open protocol: HPGL, G-Code of anderszins ondersteund door Inkscape, PowerPoint, AutoCAD of anderszins

Sanguinololu (bedoeld voor 3D printer)

Deze Arduino-gebaseerde controllerprint kan vier stappenmotoren aansturen en heeft twee mosfets voor het schakelen van grote vermogens. Er is voorzien in het inlezen van twee temperatuursensoren. Er is een uitbreidingsconnector voor extra verbindingen. De firmware, repetier, kan worden uitgebreid. De werking van de Z-as (extruder) moet worden veranderd naar de aansturing van een laser. De verwachte input is G-Code, naar verwachting kan dit protocol worden uitgebreid met een commando voor het aan- en uitzetten van een laser. De ondersteuning vanuit een keur van desktopapplicaties is dan gegarandeerd.

Bij het gebruik van deze controllerprint zijn er een aantal routes: herschrijven van de Repetier firmware zodat deze om kan gaan met het aansturen van een laser, in plaats van een extruder en dan gebruik maken van de Repetier host software. Deze software is echt voor 3D toepassingen bedoeld en het gebruik ervan voor lasersnijden zal minder dan optimaal zijn.

Een andere route is het volledig van scratch afaan schrijven van software, zodat deze HPGL gaat ondersteunen. HPGL is de universele plottertaal en er is veel ontwerpsoftware (zoals PowerPoint) die dit ondersteunt.

Inkscape ondersteunt het gebruik van G-Code ook. Dat maakt het gebruik van de Repetier firmware weer wat interessanter.

Eggbot-board (bedoeld voor ei-plotter)

Deze controllerprint kan twee stappenmotoren aansturen en heeft uitbreidingsmogelijkheden voor extra verbindingen. De software kan uitgebreid worden. De ondersteuning is vooral vanuit Inkscape, dit is echter een prima (Open Source) programma waar veel kennis over is. De eggbot-board heeft minder elektronische aansluitingen en de software is niet zo breedgebruikt als de Repetier-firmware.

Winter in Groningen

Zondag 26 januari 2014 was het in één klap winters in Groningen: de temperatuur was enkele dagen daarvoor al gedaald tot rond het vriespunt en in de nacht van zaterdag en zondag viel een centimeter of vijf sneeuw. Zondagochtend waren de kinderen al vroeg in touw om het maximum haalbare uit deze sneeuwdag te halen. Met kinderen van veelal de Joseph Haydnlaanschool werd er in de speeltuin van Oosterpoort/De Linie druk gesleed en sneeuwballen gegooid. Om een uur of elf kwamen een cameraman en een reporter op bezoek om de kinderen te filmen en te interviewen en ‘s avonds om 18:45 kwam het item in het jeugdjournaal op Nederland 3.

Screenshot 2014-01-27 09.42.06

Test RepRapWorld J-Head voor 1,75 mm filament met 0,35 mm spuitgietopening

J-Head kit van RepRapWorld

Onderdelen van de J-Head: holle moer, teflonbuisje voor in de houder, NTC, hot end en houder, verwarmingselement

RepRapWorld is een Nederlandse webwinkel die op eBay actief is. De winkel verkoopt onderdelen, kits en filament bedoeld voor 3D printen. Afgezien van de naam heeft de RepRapWorld winkel op eBay geen zichtbare overeenkomsten met de webwinkel RepRapWorld.com, die overigens een vergelijkbaar assortiment heeft. RepRapWorld op eBay heeft vier verschillende J-Heads in de verkoop, bedoeld voor 1,75 mm en 3 mm filament en met 0,35 of 0,5 mm diameter spuitgietopening. De geteste J-Head heeft een “native” 1,75 mm hot end: de boring van het smeltblok is ongeveer 2 mm. Dit betekent dat er geen PTFE buisje in de hot end geplaatst hoeft te worden. De diameter van de spuitgietopening is 0,35 mm.

J-Head hot end mark IV, houder mark V (eBay RepRapWorld)

Messing J-Head hot end versie 4 met verwarmingselement en NTC, houder versie 5 (eBay RepRapWorld)

De geteste J-Head bestaat volgens opgave van RepRapWorld uit een hot end versie 4 en een houder versie 5. Er is hier expliciet bij aangegeven, dat er niet van het ontwerp is afgeweken. Het valt echter op dat de houder van RepRapWorld geen ventilatiegaten heeft: deze zitten wel in het ontwerp. De houder is voor een teflon rietje met een binnendiameter van 1,8 mm uitgeboord. De holle moer heeft niet de juiste binnendiameter en er moet nog een M3 sluitring gebruikt worden om de diameter te verkleinen. De messing hot end heeft niet de voorgeschreven 3,5 mm diameter voor de doorvoer van filament, maar 2 mm, geschikt voor 1,75 mm filament.

De J-Head wordt geleverd met een verwarmingselement. Deze laatste past niet direct, maar moet met een vijl passend worden gemaakt. Met wat siliconenpasta blijft het verwarmingselement op zijn plaats. De meegeleverde NTC is van het type B57560G104F.

De eerste test bestaat uit het handmatig doorvoeren van 1,75 mm ABS bij een temperatuur van 220 °C. Het filament gaat slechts moeizaam, ik meet een maximale handmatige doorvoer van 30 mm per minuut. Het verhogen van de temperatuur heeft hier geen merkbare invloed meer op.

Voor de volgende test heb ik de hot end van de J-Head ingepakt in isolatiemateriaal, vastgeplakt met kapton tape. Op deze manier heeft de hot end veel minder warmte-uitstraling op de al geëxtraheerde kunststof. Voor de aandrijving zorgt een NEMA-14 stappenmotor, gekoppeld aan een EZstruder. De softwareinstellingen zijn 225 °C met een maximale doorvoer van 60 mm per minuut. Het proefobject is een carabijnhaak van 19 laagjes. Het printen op de verwarmde plaat gaat uitstekend, hoewel het kunststof wat aandoet alsof de temperatuur nog wel iets hoger had gekund. Het valt op dat de stappenmotor erg heet wordt. Halverwege de test stopt de uitvoer, maar de EZstruder blijft wel invoeren. Er vormt zich een krul van filament tussen EZstruder en J-Head: door de warmte van de stappenmotor is het filament zo zacht geworden dat het boven de J-Head al is gaan vervormen.

Hadron met 1,75 mm ABS "Snow White"

Hadron met 1,75 mm ABS “Snow White”

Voor de derde test heb ik de stroom naar de stappenmotor proefondervindelijk verlaagd totdat de stappenmotor bij het doorvoeren van 30 mm/min en 225 °C nét niet meer ‘bokt’. De softwareinstalleingen zijn nu 225 °C met een maximale doorvoer van 30 mm per minuut. Het proefobject is een deksel. Het printen gaat nu zonder problemen, maar het geprinte voorwerp maakt ook nu de indruk alsof de extrusietemperatuur iets hoger had gekund. Het printen van het deksel nam ongeveer 90 minuten in beslag. Tijdens het printen bleef de temperatuur van de stappenmotor steken op ongeveer 70 °C.

1,75 mm ABS filament, 225 graden C

1,75 mm ABS filament, 225 graden C

Leerpunten

  • De bovenkant van het smeltblok van de J-Head heeft een temperatuur die hoog genoeg is om het ABS te laten plakken of smelten. De doorvoer wordt hierdoor vermoeilijkt;
  • Een te hoge stroom door de stappenmotoren maakt het ABS ter hoogte van de stappenmotor zacht. De hoge stroom is voor een deel te voorkomen door de stroombegrenzing van de besturing in te stellen, maar wordt vooral veroorzaakt door te hoge doorvoersnelheden;
  • Een laagdikte van 0,25 mm levert prima resultaten op;
  • De EZstruder is werkelijk ongelofelijk sterk: de stappenmotor zal het eerder opgeven dan de grip van de EZstruder op het ABS. Dit betekent dat de stappenmotor het zwaar zal hebben.

Misverstanden over 3D printen

3D printen is de laatste twee jaar helemaal in het nieuws en de innovaties lijken elkaar in een rap tempo op te volgen. De mogelijkheden van stereolithografische productieprocessen, zoals 3D printen, zijn slechts beperkt door ontwerpcreativiteit. Het enthousiasme rondom de berichtgeving is dan ook groot en het nieuws pikt elke vorm van speculatie over nieuwe toepassingen op. En omdat iedereen het nieuws herhaalt, ontstaan er ook misverstanden. Ik heb er een paar verzameld.

  1. 3D printen is iets van de laatste jaren
    Nee, dat is het niet. 3D printen werd al in 1984 door Charles Hull uitgevonden, die er het bedrijf 3D Systems voor oprichtte. 3D printen is de laatste tijd vooral in het nieuws omdat er in de hobbysfeer veel mogelijkheden ontstaan en 3D printen betaalbaar wordt. Professionals maken al veel langer gebruik van 3D printen.
  2. Je kunt met alles 3D printen!
    Nee, dat is niet zo. 3D printen gaat in dunne laagjes, waarbij het nieuwe laagje ondersteund moet worden door het voorgaande laagje. Het gebruikte materiaal moet daarom tijdig uitharden. Maar niet té snel, want anders verstopt de transportleiding van het materiaal. Vervormbaarheid en relatief gewicht zijn hierbij sleutelwoorden. Kunststof wordt veel gebruikt, maar snel stollende etenswaren kunnen ook. Chocola smelt mooi en stolt snel en is daarom uitstekend geschikt om mee te 3D printen. Beton is niet geschikt. Slagroom wel. Lichte klei wel.
  3. Met 3D printen kun je een pistool printen
    Je kunt zeker een pistool printen, of een mes, of een breekijzer. Deze voorwerpen zijn echter van plastic. Het afvuren van een plastic pistool levert een groter gevaar op voor de gebruiker dan voor het doelwit en een plastic mes is niet heel scherp. Het maakt wel mooie krantenkoppen.
  4. Je moet later nog alle onderdelen in elkaar zetten
    Nee, dat hoeft niet. Het is alleszins mogelijk om in elkaar passende onderdelen, zoals scharnieren of tandwielen, reeds geassembleerd te printen.
  5. 4D printen is iets nieuws
    Nee, dat is het niet. Er is, anders dan in de media, geen sprake van 4D printing: de beschrijving hiervan slaat op het printen van volledig geassembleerde voorwerpen en slimme ontwerpen. Dat kan al sinds 1984. Zie ook punt 3.
  6. 3D printen levert geen innovaties op
    Ik denk van wel: er worden honderden nieuwe 3D voorwerpen per dag bedacht en veel ervan heb ik nog nooit eerder gezien. Mensen worden creatief met 3D-ontwerptools omdat ze weten dat alles wat ze kunnen bedenken kunnen (laten) produceren.
  7. 3D printen voor thuisgebruik is de toekomst
    Waarschijnlijk niet op de manier zoals deze nu in het nieuws is, waarbij een rol plastic wordt omgesmolten tot voorwerpen. Die manier waarop plastic wordt gesmolten en in laagjes wordt opgebracht om zo te komen tot een 3D voorwerp is erg foutgevoelig, tijdrovend en technisch lastig om langdurig probleemloos te laten werken. Het smelt-en-print-in-laagjes-proces is echter bereikbaar voor hobbyisten en spreekt erg tot de verbeelding. Professionals, zoals Shapeways, gebruiken echter iets anders.
  8. Met 3D printen krijg je thuisfabriekjes die de grote fabrieken bedreigen
    Geen schijn van kans op: 3D printen is geschikt voor “one off” productie: voorwerpen waar je maar één of een klein aantal van nodig hebt. Het hele productieproces is vooral geschikt voor het maken van een prototype: het proces is te duur (energieverbruik) om te kunnen concurreren tegen bijvoorbeeld een spuitgietproces of het vacuumvorm proces. En vergeet niet dat het printen van 3D voorwerpen relatief veel tijd in beslag neemt: het printen van één enkel Lego blokje neemt al gauw tien minuten in beslag, terwijl in die tijd er duizenden blokjes via een spuitgietproces gemaakt worden.
  9. Met 3D printen kun je huizen printen!
    In theorie wel. Maar het maken van huizen is een eeuwenoud productieproces waar veel kosteneffectievere oplossingen voor zijn dan “printen”. In de kostenopbouw van een huis zijn de loonkosten slechts een deel van het eindbedrag: bouwmaterialen, inrichting, grondkosten en belastingen veranderen niet met 3D printen. Maar het maakt wel mooie krantenkoppen.
  10. 3D printen levert geen nieuwe mogelijkheden op
    Juist wel: het stimuleert innovatie enorm! Je kunt dingen maken die niet op een andere manier te produceren zijn. Bijvoorbeeld aluminium buizen met een honingraad profiel. En onderschat de motiverende waarde niet: ontwerpers kunnen nu op hun eigen bureau prototypes produceren. Dit stimuleert enorm de ontwerp innovatie.
  11. 3D printen is een uitkomst in de medische wereld
    Absoluut. Ondanks het feit dat de medische wereld meerdere methoden heeft voor het ontwikkelen van prostheses, is 3D printen een oplossing die goed aansluit op de toch al aanwezige 3D scanmethoden.
  12. Een 3D printer is onbetaalbaar
    Nee hoor, een 3D printer is er al voor een kleine 400 euro, zoals de Hadron die ik zelf heb gebouwd.

Aandrukconstructie voor het filament

J-Head variaties

Ik schijn één van de weinigen in de wereld te zijn die veel problemen heeft met de extruder van zijn 3D-printer (not). Nou ben ik ook één van de weinigen die print met ABS en niet met PLA. Een extruder is het productiedeel van de 3D-printer dat zorg draagt voor de aanvoer en het smelten van de kunststof, bij voorkeur in de juiste hoeveelheden op het gevraagde moment. In de basis is een extruder niet ingewikkeld: een verwarmingsblok-met-spuitmondje en een motor-met-tandwiel, dat is het wel. In de details kan echter veel misgaan. En wat hierbij niet helpt, is dat de 3D-printwereld sterk leunt op “Open Source”, alle ontwerpen zijn openbaar. Dat leidt ertoe dat er veel kleine toeleveranciers zich op de verkoop van onderdelen hebben gestort, kleine webwinkels die niet altijd het verschil weten tussen een J-Head voor 3 mm of een J-Head voor 1,75 mm filament. Of tussen ABS en PLA. Of tussen een NTC van type A of een NTC van type B.

Kortom, ik heb op dit moment een probleem om mijn J-Head betrouwbaar te laten werken met mijn Hadron.

De J-Head is een ontwerp van Brian Ryfsnyder, een Amerikaanse softwareontwikkelaar met een fijnmechanische thuiswerkplaats en -webwinkel. Op het ontwerp van Brian zijn door diverse mensen verbeteringen aangebracht en er bestaan tientallen subtiel verschillende versies. De J-Heads zijn met verschillende diameter spuitgietmondjes (0,5; 0,35 en 0,25 mm bijvoorbeeld) en voor twee diameters filament (3 en 1,75 mm) uit te rusten. Verder zijn er allerlei verschillende verwarmingselementen en temperatuursensoren te gebruiken en uiteraard zijn er verschillende manieren om het filament te transporteren.

Ik heb ondertussen twee verschillende J-Heads in mijn bezit, van GB_Reprap en RepRapWorld. Beide zouden zijn bedoeld voor 1,75 mm filament en beide hebben ze een 0,35 mm spuitmondje. Het probleem met de ene is, dat er een grote ruimte voor het spuitmondje zit, waar een klomp ABS gaat ophopen. Het probleem met de andere is, dat de verschillende onderdelen niet bij elkaar lijken te passen. Ik ben niet de enige die hier tegen aanloopt.

In de foto’s hierboven heeft J-Head B (rechts) een veel te grote diameter in het smeltblok, waardoor het filament er na afkoeling niet meer uit kan en er hiernaast een vertraging optreedt tussen doorvoer van het filament en de uitvoer via het spuitmondje. J-Head B is dan ook voor 3 mm filament bedoeld en werd met een niet-passende conversiekit geleverd. J-Head A (links) heeft mogelijk een te krappe doorvoer: zelfs bij 250 graden C is het bijna niet mogelijk om het 1,75 mm filament met de hand door te voeren. Klapperende stappenmotoren en oververhitte stuurelektronica tot gevolg.

Overigens, het ABS dat ik gebruik wordt geproduceerd door een Chinees bedrijf, Chi Mei Corporation. Het ABS is van het type PA-757. Ik koop het normaal bij RepRapWorld. Volgens de specificaties wordt de vloeibaarheid uitgedrukt in g/10 min bij een bepaalde temperatuur en druk. PA-757 heeft een vloeibaarheid van 1,8 g/10 min bij 200 °C en 5 kg druk. Er zijn ABS varianten met een vloeibaarheid van tegen de 10 g/10 min bij dezelfde omstandigheden, iets om later eens in te duiken.

Ik lees de volgende quote, “While printing ABS, if the nozzle clogs due to crystalized filament the temperature is most likely too high.”. Dat kan natuurlijk best in mijn geval zo zijn.

J-Head doorsnede van RepRapWorld (A) en GB_Reprap (B)

J-Head van RepRapWorld (hot end mark IV, houder mark V)

De J-Head van RepRapWorld (A) miste uiteindelijk alleen een M3 waaier om het PTFE buisje mee vast te zetten. De boring in het messing smeltblok lijkt wat krap voor 1,75 mm, maar het filament gaat er toch soepeltjes in, tot een fractie van een millimeter voor de 0,35 mm uitgang van het spuitmondje.

Ik heb een proefopstelling gemaakt met de J-Head van RepRapWorld, waarbij ik handmatig het filament door het smeltblok kan voeren. Bij een ingestelde temperatuur van 220 °C smelt de ABS al bij het invoeren. Bij gebrek aan een krachtmeter doe ik een inschatting: ik moet met ongeveer met 5 kilogram duwen om ongeveer een halve tot een hele millimeter filament per seconde in te voeren. Ik heb deze proef met vijf verschillende kleuren ABS herhaald en drie verschillende temperaturen. Een aantal keer met een kleine inbussleutel het smeltkanaal vrijgemaakt.

Ter vergelijking: de 0,35 mm extruder van QU-BD heeft aan een halve kilo genoeg om centimeters per seconde door te voeren (zo lang hij niet vastloopt).

Conclusie: het smeltblok-met-spuitmondje van de J-Head van RepRapWorld dat bedoeld is voor 1,75 mm filament en een uitvoer met een diameter van 0,35 mm heeft, heeft een grote kracht nodig om ABS door te voeren, veel groter dan de QU-BD set. Dit maakt dat er grote stromen naar de stappenmotor nodig zijn, met als gevolg lage doorvoersnelheden en/of een grote kans op falende (of tijdelijk uitschakelende) elektronica. Dit kan verschillende oorzaken hebben, waaronder een te kleine diameter spuitmond of een te ruw afgewerkt smeltkanaal aan de binnenkant van het smeltblok. Maar betrouwbaar werken gaat het met mijn Sanguinololu niet.

J-Head van GB_Reprap (hot end mark ??, houder mark ??)

De J-Head van GB_Reprap (B) is bedoeld voor het gebruik met 3 mm filament, in plaats van de door mij gebruikte 1,75 mm. Volgens GB_Reprap volstaat het, om een geschikt teflon buisje te gebruiken om de 1,75 mm filament door te voeren. De benodigde onderdelen werden echter niet meegeleverd en het gebruik voor 1,75 mm filament zonder een speciaal teflon buisje vanaf het spuitmondje tot bovenin de houder werkt niet goed en zorgt ervoor dat je het filament niet kunt verwisselen zonder de hele J-head te demonteren.

Bitmain Antminer

Bitmain is een Chinees IC-ontwerpbedrijf dat begin 2013 is opgericht en kantoren heeft in Beijing en Shenzhen. Eén van de producten van dit bedrijf is de BM1380 ASIC, die ondermeer wordt gebruikt in hun product Antminer. De introductie die het bedrijf op 11 november 2013 in het bitcointalk forum maakte wekte nogal wat ongeloof op vanwege de hoge specificaties van de producten. “If this is a scam, it is better than most“. De producten worden nu, twee maanden na de introductie, verkocht voor concurrerende prijzen. Niet dat het delven van bitcoins nu ineens uit kan, maar de winstperspectieven worden er positief mee beïnvloed.

De Antminer, een 1,6 GH/s ~ 2,5 GH/s bitcoin miner, is vanaf 50 euro verkrijgbaar, een prima prijs gezien het feit dat de Block Erupter, met een vijfde van de snelheid, nog voor datzelfde bedrag wordt aangeboden. De fysieke uitvoering van de Antminer lijkt sterk op de Block Eruptor, ongetwijfeld het betere kopieerwerk.

 

Gebruik van Bitcoins

Bitcoin is een vorm van elektronisch geld waarvoor, anders dan andere vormen van elektronisch geld, geen centrale registratie bestaat. Bitcoins worden op een lokale computer opgeslagen in een elektronische portemonnaie. Speciale peer-to-peer software, voorzien van de nodigde encryptie, zorgt ervoor dat een bitcoin alleen door zijn eigenaar kan worden uitgegeven. Iedere bitcoin eigenaar is met zijn computer een stukje van de bitcoin bank. Bitcoin is een eerste versie van zogenaamd cryptografisch geld, dat wordt gemaakt door het virtueel delven, het zogenaamde mining.

Bij vaste valuta’s zoals euro’s en dollars bepaalt de overheid hoeveel geld er gedrukt en gemunt gaat worden. Bitcoin heeft geen overheid die dat kan bepalen. Bitcoin miners  gebruiken speciale software om wiskundige problemen op te lossen en krijgen in ruil daarvoor een bepaalde hoeveelheid bitcoins. Dit resulteert in meer bitcoins en vormt tevens een handige stimulans om meer mensen aan het delven van bitcoins te krijgen. En omdat miners nodig zijn om bitcoin transacties te valideren betekent dit ook een veiliger bitcoin netwerk.

Het bitcoin netwerk verhoogt automatisch de complexiteit van de wiskundeproblemen, hetgeen bepalend is voor hoe snel deze wiskundeproblemen kunnen worden opgelost. In de begindagen van de bitcoin losten de miners de wiskundeproblemen op met hun computers. Snel daarna ontdekten de miners dat hun grafische kaarten veel beter geschikt waren om te delven. Maar hoewel grafische kaarten snel zijn, gebruiken ze ook veel stroom en worden ze heel warm. Tegenwoordig worden ASICs gebruikt: chips die speciaal voor bitcoin mining zijn gemaakt. Deze zijn honderden malen sneller dan grafische kaarten en verbruiken heel weinig stroom.

Iedere dag worden ongeveer 5000 bitcoins gedolven, totdat het plafond van 21 miljoen bitcoins is bereikt, mogelijk ergens in 2040. Door de toename van de populariteit van bitcoins treden meer miners toe tot het bitcoin netwerk. Het wordt hierdoor lastig voor individuen om de wiskundeproblemen nog op te lossen voordat anderen de oplossing al hebben gevonden. Om dit te omzeilen hebben miners een manier gevonden om in groepen te werken. Een groep vindt de oplossing voor een wiskundeprobleem sneller dan een individu en iedere deelnemer aan de groep wordt evenredig beloond voor zijn of haar bijdrage aan de oplossing.

Om als bitcoin bezitter deel te nemen aan het bitcoin netwerk is een elektronische bitcoin portemonnaie nodig. Er zijn hiervoor verschillende Open Source softwareoplossingen beschikbaar. Een bitcoin portemonnaie voor de Mac is Multibit: deze applicatie heeft een keurige Nederlandstalige user interface dit bij het eerste opstarten een lokaal bitcoin adres aanmaakt. Aan dit adres kunnen andere bitcoin eigenaren geld overmaken. Er zijn geen verdere instellingen of voorbereidingen nodig: een bitcoin adres en een PC met de bitcoin software en een internet aansluiting is alles wat nodig is om deel uit te maken van het bitcoin netwerk en betalingen te verrichten of bitcoins te ontvangen.

Er zijn al veel webwinkels die bitcoin als betaalmiddel accepteren. Ook zijn er wisselkantoren: personen of instanties die een bedrag in vaste valuta accepteren en aan de hand van een wisselkoers daarvoor bitcoins leveren.

Proefopstelling bitcoin mining hardware

Om zelf bitcoins te delven is een mining programma nodig. Hiervoor zijn enkele Open Source oplossingen beschikbaar. De bekendste hiervan zijn CGMiner en BFGMiner. Beide zijn command line oplossingen. Er zijn hiernaast diverse fraaie grafische schillen in de omloop, voor de Mac is er bijvoorbeeld Asteroid. Asteroid kan gebruikmaken van de CPU en de GPU(s) van de computer. Ook kan Asteroid speciale USB block miners aansturen en uitlezen. Of het delven van bitcoins uit kan (computers verbruiken stroom die betaald moet worden; USB block miners kosten geld) is wat onduidelijk.

Edit: Het minen van bitcoins kan met de huidige koers, kosten van de mining hardware en stroom bij lange niet uit. Bij een rekenkracht van 1 GH/s is de opbrengst minder dan 0,0001 BTC (0,05 euro) per dag. De (eenmalige) hardwarekosten hiervan bedragen ongeveer 150 euro, de stroomkosten ongeveer 0,05 euro per dag. Op de foto de gebruikte proefopstelling.


Zork

manuals-Zork1In de jaren 80 was ik geabonneerd op het maandblad Kijk. De illustraties en bijbehorende vaak fantastische verhalen hielden mijn fantasie goed bezig en ik herinner me één specifiek artikel over verborgen spannende werelden aan de binnenkant van computers: de adventure. Tegen de tijd dat ik er over las was er al een heel genre van tekstgebaseerde computerspellen ontstaan die op de computers van die tijd werden gespeeld: Adventure, Zork, The Pawn en tientallen anderen.

De tekstadventures in die tijd waren vaak geïnspireerd door verhalen als The Hobbit en The Lord of the Rings, met meestal een eigen invulling voor de plaats waar het verhaal zich afspeelde en de personages die in het verhaal voorkwamen. De interactie met het spel ging via het invoeren van commando’s, gericht aan een denkbeeldige persona in het computerspel, en in de vorm van de beschrijvingen die in tekstvorm over het scherm rolden. Een bekende adventure uit die tijd was Zork.

Welcome to Zork.

You are in an open field west of a big white house with a boarded
front door.
There is a small mailbox here.

> open mailbox

Opening the mailbox reveals:
A leaflet.

 

Zork was belangrijk voor het genre, ondermeer omdat het op haast ieder platform beschikbaar was, van Apple II, Amiga en TRS-80 tot Commodore 64. In vergelijking met het grafische geweld dat we tegenwoordig verwachten is een tekstadventure hopeloos saai. Het spelelement zit echter niet in het beeld, maar in het woord. De tekstadventures werden ook ‘interactieve fictie’ genoemd: een avonturenverhaal waar jij het verloop bepaalde. Meestal moest er van de ene locatie naar de andere verplaatst worden, voorwerpen gezocht, puzzles opgelost en slechterikken verslagen. Hulp bestond er in de vorm van maps, hints en structured walkthroughs: stap-voor-stap beschrijvingen om het einde van de tekstadventure te bereiken. Een beetje als naar het laatste hoofdstuk gaan om te zien hoe het afloopt, dat wel.

 

DTP’en met Arial

Lettertypes bepalen de uitstraling en leesbaarheid van tekst. Hoewel de meeste mensen er geen namen aan kunnen hangen, herkennen ze snel het gebruikte lettertype en op die manier is het voor een merk eenvoudiger een ‘brand awareness’ te creëren.

RRR_1

Bij computers van Apple en bij Microsoft producten zoals Windows en Word, worden enkele lettertypes meegeleverd. Twee bekende hiervan zijn Times New Roman en Arial. Een goed lettertype is een waar kunstwerk. En net zoals ieder kunstwerk zijn kopieën vaak goedkoper dan het origineel. Het lettertype Arial is door Monotype ontworpen als alternatief voor Helvetica. De verschillen tussen Helvetica en Arial zijn voor iedereen te herkennen, hoewel ze in de details zitten: Helvetica gebruikt meer buigpunten dan Arial.

Ondanks het feit dat veel vormgevers hun neus optrekken voor Arial is het geen slecht lettertype. Echter, doordat iedereen het kan gebruiken ligt het gebruik van Arial ook voor minder vaardige vormgevers binnen bereik, waardoor het lettertype door professionals misschien geassocieerd wordt met slecht vormgeven.

schwarzkopf-arialToch kun je er een goede boodschap mee opstellen. Zelf heb ik een poosje terug met verbazing gekeken naar de handigheid waarmee collega een document met Arial opmaakte en daarmee een prachtig vormgegeven rapport produceerde. Ook grote merken schuwen het gebruik van het lettertype Arial niet.

Onze buurtkrant De Oosterpoorter heeft een beperkt aantal stijlregels, het gebruik van Arial is er duidelijk eentje van (niet alle stijlelementen komen vaker dan één editie voor, dus het is niet altijd goed te bepalen of er sprake is van een regel). Oorspronkelijk werd Arial in verschillende groottes met verschillende interlinies gebruikt en in varianten italic en Small Caps, gecombineerd met andere lettertypes zoals Times New Roman. Ik heb daar met het novembernummer van De Oosterpoorter een punt achter gezet en gekozen voor één regelafstand van 13,7 punten en één basislettertype Arial 11 punten.

Screenshot 2013-11-21 14.01.10

Ik heb er bewust voor gekozen om naast het lettertype niet veel stijlelementen te gebruiken. In vorige edities kwam er met regelmaat een stippellijn voor, die heb ik terug laten komen (hoewel ik persoonlijk niets met stippellijnen heb). Ook het gebruik van de witruimte tussen de koppen had een bepaalde consequentheid. De beginkapitaal is een experimentje, de tekst heeft ‘m niet echt nodig. De kleuren rood en blauw bestonden al (welliswaar in verschillende tinten), die heb ik een vaste CMYK-invulling gegeven en aangevuld met groen en geel. De blauwe balk voor terugkerende rubrieken was al een bestaand element (ik heb hier de afmetingen gereguleerd) en op basis hiervan heb ik het paginanummer in een vlak geplaatst. Niets spannends, maar hopelijk een rustgevende bladspiegel, waar de tekst en de foto’s belangrijker zijn dan de vormgeving.

Opmaken met Arial is meer een kwestie van weglaten dan van toevoegen. Niet te snel cursief, niet te snel vet, niet te snel een extra grootte. Dat gezegd hebbende jeuken mijn handen wel om iets te doen aan het gebruik van de kolommen. De smalle kolommen, gecombineerd met het relatief grote lettertype maken soms lelijke afbrekingen. En ik heb het idee dat de kerning nog wel iets beter kan. En die stippellijn. Daar heb ik twijfels over.


http://www.marksimonson.com/notebook/view/the-scourge-of-arial